Schildluis (Coccidae): herkennen en aanpakken
Bijgewerkt: 24 augustus 2026
Schildluis is de plaag die je als bruine, geelachtige of donkere bultjes ziet zitten op de stengel en langs de bladnerven. Omdat ze niet bewegen, houden de meeste mensen ze voor een deel van de plant, voor een schilfertje bast of voor een ziektevlek.
Bij kamerplanten zie je ze vooral op soorten met een harde, houtige stengel en op planten met dik blad, zoals de Ficus, de laurier, de orchidee en de Clivia.
Hoe je hem herkent
- Uiterlijk: 2 tot 5 millimeter, ovaal of rond, bol. Bruin, geelachtig of donker van kleur. De bovenkant is bedekt met een hard of wasachtig schildje.
- Waar hij zit: langs de stengel, op de bladsteel, en vooral op een rij langs de hoofdnerf aan de onderkant van het blad. Die rij is typisch en maakt herkennen makkelijker.
- Beweging: het volwassen vrouwtje zit vast en verplaatst zich niet. Alleen de pas geboren jonge dieren bewegen, een paar dagen lang, en die zie je met het blote oog nauwelijks.
- De optiltest: licht het bultje voorzichtig op met je nagel. Komt het makkelijk los en zit er een zacht, vochtig oppervlak onder, dan is het schildluis.
Diezelfde plakkerige laag laat bladluis ook achter, maar die zit er heel anders bij: schildluis beweegt niet en zit op een rij langs de stengel en de hoofdnerf, terwijl bladluis opeengepakte groepjes zachte beestjes maakt op verse scheuttoppen. Zit het groepje op een scheuttop, kijk dan bij Bladluis.
Wolluis maakt dezelfde zoetige stof; wat die onderscheidt is dat hij geen hard of wasachtig schildje draagt maar een witte, wattige bedekking, en dat hij niet langs de stengel op een rij zit maar in de bladoksels. Voelt het bultje niet hard maar wattig, kijk dan bij Wolluis.
De signalen
- Bruine bultjes op de stengel en op de bladnerf
- Een glanzende, plakkerige laag op het blad
- Zwarte roetdauw die zich op die plakkerige laag ontwikkelt
- Vergelend blad dat afvalt
- Een plant die in het algemeen verzwakt en geen nieuwe scheuten meer maakt
- Mieren die rond de plant lopen
Schildluis is een plaag die langzaam gaat. Hij maakt een plant niet snel dood, maar verzwakt hem op de lange duur wel duidelijk.
Wat je eraan doet
1. Zet de plant apart. De jonge dieren leggen korte afstanden lopend af en stappen over op planten die ernaast staan.
2. Schraap de schildjes eraf. Bij deze plaag is dat de enige manier die werkt. Het schildje beschermt het beestje zowel tegen water als tegen invloeden van buiten, dus het moet er fysiek af.
- Licht de schildjes eraf met je nagel, met de botte kant van een mes of met een stevige doek.
- Kijk vooral naar de stengel en naar de hoofdnerf aan de onderkant van het blad; daar zitten ze het vaakst op een rij.
- Bij planten met stevig blad werkt een doek; in nauwe hoekjes een wattenstaafje.
- Veeg de plek na het weghalen van het schildje ook even schoon; wat eronder achterblijft kan een nieuwe haard worden.
3. Spoel daarna af. Als het schrapen klaar is, spoel je de plant af met lauw water. Dat haalt de achterblijvers en de plakkerige laag weg. Dek de bovenkant van de pot af zodat de potgrond niet uitspoelt.
4. Maak de plakkerige laag en de roetdauw schoon. Als de schildluis weg is, verdwijnt de plakkerige laag op het blad niet vanzelf. Veeg die weg met een vochtige doek. Heeft zich er zwarte roetdauw op gevormd, dan gaat die er op dezelfde manier af; roetdauw beschadigt de plant niet rechtstreeks, maar houdt het licht bij het blad weg.
5. Herhaal ongeveer wekelijks, minstens drie keer. Door de exemplaren die je mist en door de jonge dieren die erbij komen, is herhalen noodzakelijk. Bij deze plaag duurt de cyclus wat langer dan bij de andere.
Wat niet werkt
- Alleen afspoelen. Het schildje laat geen water door.
- Alleen naar de stengel kijken. De hoofdnerf aan de onderkant van het blad is de plek die het vaakst wordt overgeslagen.
- Achter de mieren aan gaan. De mieren zijn het signaal, niet de oorzaak.
- Het schildje weghalen en de plek niet schoonvegen. Wat achterblijft kan een nieuwe haard worden.
- Eén enkele behandeling. Er blijven weken achtereen jonge dieren bijkomen.
Bij welke planten vaker
Soorten met een harde, houtige stengel en soorten met dik blad lopen meer risico.
Planten waarbij het vaak wordt gemeld zijn de Clivia, de drakenboom, de Crassula, de wasbloem (Hoya), de erwtenplant, de Ceropegia, de Kalanchoe, de Peperomia en de lippenstiftplant. Ook bij Begonia maculata, Philodendron en Fittonia komt schildluis voor.
Hier is geduld voor nodig
Van alle plagen op kamerplanten vraagt schildluis het meeste geduld. Het schrapen kost tijd, je mist er altijd een paar, en volledig schoon zijn kan een paar weken duren.
Daar staat tegenover dat het een langzame plaag is; hem binnen een paar weken onder controle krijgen is voor de plant ruim genoeg. Er is geen paniek nodig, wel regelmaat.
Is de plant zwaar aangetast en zit een groot deel van de stengel eronder, dan verkort het snoeien van de ergst aangetaste takken de schoonmaak aanzienlijk. Gooi het weggeknipte materiaal weg in plaats van het op de composthoop te leggen; kijk bij je gemeente wat er in de GFT-bak mag.
Voorkomen
- Houd nieuwe planten twee tot vier weken apart en kijk in die tijd naar de stengel en naar de nerven aan de onderkant van het blad.
- Maak er een gewoonte van om maandelijks naar de stengel en de onderkant van het blad te kijken.
- Neem het blad af en toe af met een vochtige doek.
- Zie je mieren rond de plant, controleer dan altijd de stengel; dat is vaak de eerste waarschuwing.
Bij een hardnekkige of terugkerende aantasting kun je het beste advies vragen bij een tuincentrum of hovenier.